Politieke Prostitutie

Doodziek word ik van dat gebakkelei van de politici op tv. Ik kijk er af en toe zijdelings naar, maar het kan me deze keer niet boeien. Voor het eerst eigenlijk, want in het verleden hield ik het allemaal nauwgezet bij. De strijd tussen de Jan Klaassens en Katrijnen van de Nederlandse politieke poppenkast is een lachertje geworden.

Ja, ik ga wel stemmen en gelukkig stond mijn keuze al maanden geleden vast, want als ik nu nog moest uitmaken wie het zou worden, zou ik afhaken. Wat een kleinzielige vertoning. Elkaar de koppen inslaan, vuurspuwende ogen, arrogantie, over lijken gaan. En tussendoor de zogenaamde ludieke acties, waardoor wij dan moeten geloven, dat het allemaal zulke leuke en aardige jongens en meisjes zijn.

Wat bezielt een mens om zo diep te zinken? Welke frustraties liggen eraan ten grondslag om je zo te kijk te (laten) zetten voor gansch een volk? Hoe media- en publieksgeil moet je zijn om je tot een poppetje te laten omtoveren en je waardigheid en idealen aan de kant te zetten om je tegenstander met een linkse of rechtse directe tegen de grond te slaan?

Op 22 november zal ik snel naar het stemlokaal rennen, mijn knop indrukken en meteen vergeten wat ik heb zien passeren aan politiek gelul.
En dan maar hopen, dat het toch nog een beetje goed gaat komen met dit land; de minima, de zorg, de veiligheid, het onderwijs, de werkgelegenheid, het milieu. Ik heb er op dit moment geen enkel vertrouwen meer in.

Het politieke spel is overspel geworden. Publieke hoererij van de lijsttrekkers. Over-acting van een stelletje dillettanten die zichzelf tegen opbod verkopen aan de media.

Het enige wat telt zijn de partijprogramma’s! Niet de lijsttrekkers! Misschien een tip om NIET op een lijsttrekker te stemmen, maar op iemand die zijn of haar taak in alle stilte goed doet? Een voorkeurstem dus.

Dan kunnen we dit zootje ongeregeld wellicht overslaan bij de vorming van het volgende kabinet en krijgen we een Kabinet der Onbekenden. Lijkt me een hele verademing.

21 November 2006
By on 05:22
geselecteerd als gefixeerd bericht

Welkom

Hier kun je een bloemlezing van mijn eerder gepubliceerde columns vinden, maar ook verse.
N.B.: de columns zijn beschermd door copyright. Niets mag dan ook zonder toestemming van de schrijver elders worden geplaatst.

15 November 2006
By on 01:28
De Zwabber Erdoor

Mijn huis leidt sinds een week of zes een eigen leven. Ik heb er geen vat meer op. Het is een slagveld. Vervreemd zit ik bij mezelf op visite en probeer de rode draad in mijn leven vast te houden.

Het begon met de steigers rond het huis en de werklui over de vloer. Ze waren nog niet binnen, of Lotje en Oliver kwamen onverwacht bij ons wonen. Twee zwarte katjes van acht weken oud, waar mijn vriendin mee in haar maag zat.
‘O, die willen wij wel!’ riepen mijn dochter en ik enthousiast, toen we op kraamvisite waren. Snoepjes waren het. Absoluut onweerstaanbaar.

Ze waren nog niet binnen of de chaos sloeg toe. Gordijntjes werden naar beneden gehaald, planten van de vensterbank gegooid en meubels grondig bewerkt. Nou ja, dachten we eerst nog, het is toch aan vervanging toe allemaal, dus we maken ons niet te druk. Al snel moesten we toch aan de slag met het redden van de spullen die ons dierbaar zijn. Stelselmatig verhuisde er steeds meer naar de slaapkamers, inclusief de viskom met guppies en de kooi met parkiet. We zaten in een compleet gestripte woonkamer.
Achteraf gezien kwam dat prima van pas, wantx85

x85intussen moest ik in anderhalve dag mijn vader verhuizen naar een zorgcentrum. Hij was opgenomen in het ziekenhuis en kon niet meer naar zijn eigen woning terug, omdat het onverantwoord bleek hem langer alleen te laten. Met spoed kreeg hij een plaats. Gelukkig maar, want het ziekenhuis wilde hem kwijt.
Alles verliep vlekkeloos. Binnen de kortste keren hadden we zijn piepkleine appartementje gezellig ingericht. Hij kon komen.

Maar toen moest zijn huis leeg. Vijftig jaar aan spulletjes is door mijn handen gegaan de afgelopen weken. Waarom hadden ze alles, werkelijk ALLES bewaard!?
Veel heb ik weg moeten gooien, maar minstens zoveel moeten behouden. En waar moet je dan met die spullen heen als je enig kind bent? Juist ja, in je eigen huis, voor zover dat kan.

We zitten nu tot de nok toe vol en bewegen ons over paadjes, varixebrend in breedte van tien tot twintig centimeter. Ons bed kunnen we enkel nog bereiken door behendig over stoelen en kasten te springen.

Waarom al die rommel bewaard, zul je je afvragen?
Over een maand of vier MOET mijn vader nog een keer verhuizen. Naar een grote driekamerseniorenflat. Het gebouw waar hij nu zit, is verouderd. Gelukkig heeft hij al zijn spullen nog om het daar in te richten. Wat een voordeel! De andere bewoners moeten nieuwe meubels aanschaffen. Het zal je maar overkomen op je negentigste!

Lotje en Oliver vieren feest. Ons huis is xe9xe9n en al spannend avontuur, met elke dag een wisselend interieur. En ik zit met mijn moeders sjieke Wedgewood kopje koffie als een kat in een vreemd pakhuis en mis mijn vertrouwde beker, die ik niet meer kan vinden.
Het oude huis is bijna leeg. Nog een paar ritjes naar de vuilstort en de meubels die ik niet meer kwijt kan gaan naar een opslagloods. Dan nog even de zwabber erdoor en hoppa. Weg ouderlijk huis.

Rest me nog xe9xe9n vraag:
Waar zetten we dit jaar de kerstboom?

20 October 2006
By on 12:01
Spoedeisende Hulp

‘Met de alarmeringsdienst. Uw vader is gevallen. Kunt u er even heengaan?’
‘Ja, oke. Weet u hoe hij eraan toe is?’
‘Nee, we kunnen hem slecht verstaan.’
Ik hang op en met een angstige mengeling van vluchtneigingen en plichtsgevoel probeer ik helder te worden. Het is tien voor half drie in de nacht. Een stemmetje in mijn achterhoofd roept: ‘Ik wil niet, ik wil echt niet!’ Het is de derde keer in twee weken, dat ik uit mijn slaap gebeld word, omdat mijn vader is gevallen in zijn huis.

Met de auto scheur ik door de verlaten straten. Het is net als de vorige keren een eenzame rit. Zal ik hem dood aantreffen, zoals mijn moeder vorig jaar? Is hij gewond? Zal ik een dokter kunnen vinden die wil komen, of schepen ze me weer af met een smoesje? Het lood in mijn schoenen wordt zwaarder en zwaarder. Net als mijn hart.

Met een diepe zucht draai ik de sleutel om in het slot en loop de gang in. Mijn benen willen niet verder. Ik durf de kamer niet in. Tranen wellen op. Ik slik ze in. Nog xe9xe9n keer diep zuchten en dan maar zien. Geen geluid te horen. Verdomme. Is hij dood?
‘Rustig blijven,’ spreek ik mezelf vermanend toe.

Daar ligt hij, met zijn hoofd tegen de kast. Met zijn linker hand klampt hij zich vast aan het tafeltje ernaast. Hij leeft.
‘Pap, ik ben er. Laat dat tafeltje eens los, ontspan je maar.’
‘Nee, dan val ik.’
‘Dat kan niet, pap. Je ligt al op de grond.’
Ik streel zijn gezicht.
‘Wat heb je nu weer uitgespookt?’
‘Ik weet het niet. Alles is zo raar.’
‘Heb je pijn?’
Mijn ogen en handen onderzoeken hem en ik stel vragen. Gelukkig zie ik nergens bloed en hij weet nog welke dag het is, maar mijn naam is hij kwijt. Hij noemt de naam van mijn moeder. Ik zie zijn linker mondhoek licht naar beneden hangen. Een TIA? Of erger?
‘Ik ga de dokter bellen.’
‘Nee, leg me gewoon maar in bed, het valt wel mee. Ik heb nergens pijn.’

De dokterspostassistente handelt het administratieve gedeelte af en vraagt of het echt nodig is dat er een arts komt. Ja natuurlijk, anders bel ik niet. Ze geeft me instructies hoe ik mijn vader in bed moet leggen. Dat kan ik dus op dit moment niet in mijn eentje, maak ik haar duidelijk. Na veel geharrewar belooft ze me, dat er een arts komt kijken.
‘Maar dat kan meer dan twee uur duren mevrouw, want het is druk vannacht.’
‘Twee uur? Dat kan niet! Die man ligt hier volgens mij te sterven!’ hoor ik mezelf roepen.
‘Ga ik dood?’ vraagt mijn vader angstig.
Met mijn hand over de microfoon fluister ik: ‘Nee, je gaat niet dood, maar ze willen niet snel een dokter sturen. Ik moet flink overdrijven.’
‘Leg me nou maar in bed en laat die lui toch barsten.’
Ik doe net of ik hem niet hoor, vraag nogmaals om SPOEDhulp en hang op.
Na een kussen onder zijn hoofd en een deken over hem heen te hebben gelegd, maak ik het me gemakkelijk naast hem op de harde vloer.
‘Probeer maar te slapen, pap. Het kan nog even duren voor ze er zijn.’
Hij sluit zijn ogen. Zijn oude handen liggen in de mijne en ik streel ze. Wachtend op de lange, eenzame nacht die voor ons ligt, luister ik naar het tikken van de klok.

Tien minuten later gaat de bel. Een jonge, stevige vrouwelijke arts en een potige chauffeur. Mijn noodkreet heeft toch overtuigend genoeg geklonken. Ik vraag haar of hij niet in bed getild moet worden, omdat hij zo ongemakkelijk ligt.
‘Nee, dat mogen wij niet,’ zegt ze. ‘Als u dat per se wilt, moet u dat zelf doen.’ Ik sta perplex.
Ze onderzoekt hem zorgvuldig en belt een ambulance. Binnen vijf minuten zijn ze er. De ambulancegarage is om de hoek. Behendig wordt mijn vader op de brancard getild en ik stap in naast de chauffeur. Op de Spoedeisende Hulp wordt besloten hem ter observatie in het ziekenhuis te houden. Hij heeft hoge koorts en een longontsteking, misschien ook een TIA of erger. Ze dienen hem onmiddellijk antibiotica toe.
Ik voel me opgelucht dat hij mag blijven en boos, omdat ik zo moest aandringen en overdrijven, voordat er hulp kwam.
In de donkere nacht loop ik naar huis. Eindelijk kan ik een keer gaan slapen zonder de angst wakker gebeld te worden. Er valt een rust over me heen. Hij is in goede handen.

Ik slaap een gat in de dag.

3 September 2006
By on 14:09
Klaar voor de Klus

Er wordt op mijn slaapkamerraam geklopt. Ik schrik wakker. Door de houten lamellen van de zonwering zie ik de contouren van een man.
Dit kan niet! De slaapkamer bevindt zich op de eerste verdieping en heeft geen balkon. Een zwevende man voor mijn raam ‘s morgens vroeg?

Nog voor het bewuste deel van mijn brein op volle toeren werkt, reageert mijn lijf. Ik voel mezelf uit bed springen, in mijn duster schieten en naar het raam lopen. Snel trek ik de zonwering omhoog en ik sta oog in oog met een meneer die me vaag bekend voorkomt. Dan valt het kwartje: o god, ik heb me verslapen!
De man lacht vriendelijk en wuift met zijn hand mijn kennelijk zichtbare paniek weg: ‘Ik kom over een kwartiertje wel terug,’ roept hij jolig. Mijn duster valt per ongeluk open. Ik grijp mezelf bij mijn keel om hem weer dicht te houden, me volledig bewust van mijn naaktheid eronder.

Het hele huizenblok staat sinds gisteren in de steigers. Alle ramen gaan eruit en worden vervangen door dubbel glas. Vanmorgen om half acht beginnen ze hier. Altijd ben ik vanzelf voor zevenen wakker. Nu niet. 

Als een torpedo schiet ik door de kamer. Rondslingerende kleren belanden in een kast, mijn handen trekken het bed glad, bureau en fauteuil duw en sjor ik met bovenmenselijke inspanning in een hoek. Een mens kan veel in korte tijd met een steiger voor de deur en popelende werklieden.
Vervolgens roep ik mijn dochter uit bed en hijs me razendsnel in willekeurige kleren, vissend in de wasmand.
Dochter loopt relaxed richting douche en negeert mijn haastige spoed.
‘Kom op meid, help even mee je kamer in orde maken, zodat die mannen aan het werk kunnen,’ zeg ik, haar domein betredend. Ze kijkt me meewarig aan. En ik zie onmiddellijk waarom. Zij was zo verstandig om gisteravond alles voor te bereiden. Mijn nerveuze gedoe moet haar belachelijk voorkomen. Erg hoor als je dochter bijna altijd ordelijker en efficixebnter is dan je zelf bent, als moeder. Echt heel erg.
Als oversprongreactie wapperen mijn handen nog wat in het wilde weg en dan pas komt het besef, dat ik nu gewoon naar beneden kan. Alles is onder controle.

Even later klinken de eerste rake klappen op de houten kozijnen. Horen en zien vergaat. Ik loop naar buiten.
"Willen jullie straks een bakkie?" roep ik tussen twee knallen door naar boven.
"Ja graag!" roepen drie man in koor.
Van het groot onderhoud van zes jaar geleden weet ik nog, dat ze voor een kopje koffie wel eens een extra klusje wilden klaren. Mijn oude, kapotte rolluiken moeten er hoognodig af. Straks toch eens vragen of ze dat even voor me willen doen. Vooruit. Doe ik er nog een klein kratje bier bij als ze er ook voor zorgen dat de troep in hun container verdwijnt.
‘Je moet het ijzer smeden als het stortregent en je ruiten eruit liggen,’ zegt een oud spreekwoord en ‘Mannen die je toelaat in je slaapkamer, mogen best een beetje bijklussen,’ is er nog zo xe9xe9n.

Eens even kijken wat er nog meer moet gebeuren.


By on 14:07
Kwaliteit van leven

Kwaliteit van leven, wat houdt dat eigenlijk in? Met deze vraag word ik geconfronteerd sinds ik de mantelzorg voor mijn oude vadertje op me heb genomen.
Het valt niet mee voor hem om op zijn 87ste zijn hele leven om te gooien nu mijn moeder er niet meer is. Dapper slaat hij zich erdoorheen, maar toch zie ik steeds vaker stille tranen in zijn ogen. Zijn leven is voor zijn gevoel afgerond nu zij er niet meer is en hij vraagt zich af wat hij hier nog doet in het ondermaanse en waarom hij iedereen van zijn generatie overleeft.

Zijn gevecht tegen het gemis en de eenzaamheid kan ik niet verlichten. Dat doet pijn. Telkens als ik bij hem wegga en hem alleen achterlaat, knaagt een gevoel, dat ik nog niet kende en waar ik geen woorden voor heb. Hij is zo kwetsbaar en lijkt met de dag doorzichtiger te worden. Zijn handen worden perkament en hij zei me een paar dagen geleden: “Ik begin de handen van een dode man te krijgen.” En ja, dat is zo. Zoals ik de handen van mijn moeder gevouwen heb in de kist, zal ik deze handen ook vouwen en de kou van de dood tot me door moeten laten dringen.
Straks, als hij er niet meer is.
Die handen… Steeds vaker houd ik ze even vast en streel ze.
Nu ze nog warm zijn.

Buiten al de zorg en het geregel om zijn leventje zo goed mogelijk door te laten gaan, probeer ik hem kwaliteit van leven te bieden. Wat dat dan ook moge zijn.
Bloemen in de tuin en in huis, waar hij zo van houdt.
Elke week haal ik hem donderdags en zondags op om er even uit te zijn.

Hij was zijn huis nooit uit te branden, maar nu wil hij wel.
Gesteven en gestreken staat hij me dan op te wachten. Altijd om door een ringetje te halen. De thuiszorg is er maar druk mee om de passende stropdas of het juiste overhemd te zoeken. Hij wil er netjes uitzien als hij met me uitgaat.
Dat is een stukje kwaliteit van leven voor hem.

Het gemakkelijkst zou zijn, als hij met de rollator of in rolstoel mee wil en dat hebben een aantal keren gedaan, omdat hij toen niet anders kon. Hij merkte al gauw, dat mensen hem dan betuttelen of over zijn hoofd heen mij aanspreken in plaats van hem. Dus hij oefent zich suf en gaat wonderwel steeds beter lopen. Met wandelstok en aan mijn arm recht hij dan zijn rug en zo sukkelen we samen overal heen.
Kwaliteit van leven voor hem.

Hij kijkt telkens weer uit naar onze tripjes. Soms een terrasje, soms een cafeetje en sinds kort bezoeken we familieleden die hij lang niet heeft gezien. Het is soms een hele puzzeltocht ze op te sporen, maar tot nu toe is het steeds gelukt. Bovendien begint het zich rond te spreken, dat ‘oom Herman op toernee’ is en komen de uitnodigingen vanzelf via email bij me binnen.

Zo komen we samen op plaatsen en ontmoeten we mensen, met wie hij kennelijk iets deelt, want overal is hij welkom. Er gaat een wereld voor me open. Ik ben zijn dochter en word daarom ook overal met open armen binnengehaald. Ik geniet omdat ik hem zie genieten en andersom.
Kwaliteit van leven.

Maar telkens als ik hem thuisbreng en hem alleen achter moet laten, knaagt dat gevoel, dat ik nog niet kan verwoorden. Ik zie dan zijn stille blik naar de foto van mijn moeder en zijn stille tranen. Ik zie zijn verlangen naar de dood. Ondanks de fijne dag, blijft dat stil verdriet en laat zich op die momenten als ik vetrek aan me zien. Niet opvallend, hij doet immers zijn best, maar mijn ogen zien nu eenmaal dieper dan de oppervlakte.

Ik kan hem zijn eenzaamheid en gemis niet afnemen. Dat mag ook niet. Dat is zijn eigen stukje in zijn levensverhaal. Het enige wat ik kan doen, is zijn laatste dagen wat kleur geven. En dat is voor hem net dat beetje extra, dat zijn leven nog zin geeft.
Tenminste, dat hoop ik.
Deze fase in mijn leven met de keuze die ik maakte om de mantelzorg voor mijn vader op me te nemen, vraagt veel, maar geeft mij ook een stukje kwaliteit, waarvan ik niet vermoed had dat het me zo rijk zou maken.

10 May 2006
By on 09:21
Witter dan Wit

Van de week met het mooie weer begon ik maar weer eens aan de jaarlijkse schoonmaakbeurt van het schuurtje. Het was zoals na elke winter helemaal dichtgeslibd met ondefinieerbare spullen. De fietsen konden er niet meer staan, dus het werd hoog tijd.
Nu ik toch bezig was, besloot ik de oude Lundiastelling te slopen en naar de vuilnis te brengen. Een sta-in-de-weg, die eigenlijk enkel nog dienst deed om rotzooi op te stapelen.
Ineens kwam ik een pot witte hoogglanslak tegen in een verloren hoek. F11,50 had hij gekost, zei het prijskaartje, dus hij was al een paar jaartjes oud. Ik schatte echter in, dat de verf nog goed moest zijn. Onmiddellijk bedacht ik, wat ik daar mee zou kunnen verven. Juist ja: die Lundiastelling! Ik wilde toch een tv-kast op mijn slaapkamer? Kon ik meteen de opgeslagen boeken weer eens tevoorschijn halen van zolder. Leuk! Een gratis nieuwe kast!

Blij begon ik de spinnenwebben te verwijderen van de onderdelen om daarna, heerlijk in het zonnetje, erop los te kwasten. Na een half uurtje kreeg ik dorst en laste een drinkpauze in. De geopende pot verf stond naast me op het terras. De pauze duurde maar even, want ik was in mijn enthousiasme niet meer te stuiten. Ik pakte de bus verf, stond op en wat er toen allemaal gebeurde!

Mijn linkervoet zette ik verkeerd neer, waardoor mijn enkel ongenadig omklapte.
“Help! De verf!” riep ik tegen mijn dochter. Ik vergat alles om me heen en wilde de verf redden. Klapte languit over het terras, na een paar rare stappen en gooide de bus over de drempel van het schuurtje op de deurmat. Hij viel om. Nog voor ik helemaal plat lag, kon ik de bus overeind zetten, zodat niet al het kostbare goedje verloren zou zijn.

Toen pas realiseerde ik me, dat ik een behoorlijke schuiver had gemaakt. Mijn enkel deed pijn, mijn beide kniexebn en mijn rechterarm. Mijn dochter was inmiddels te hulp geschoten en onderzocht mijn enkel. Zelf zag ik mijn geschaafde en bebloede kniexebn en er ontstond een blauwe bult op mijn bovenarm.
“Je haar!” gilde mijn dochter ineens. Ik pakte naar mijn hoofd en graaide in een plakkerige massa. De aandacht was afgeleid van de zere plekken. Hoogglanslak in mijn haar? Dat moest eruit! En snel!

Met terpentine en een rol wc-papier zijn we aan de slag gegaan. Wat een ellende. Na een kwartier poetsen, was het er nog niet uit. Ik zat nog steeds op de plek waar ik gevallen was en huilde tranen met tuiten om al deze ellende. De pot verf bleek bijna leeg. Niet genoeg meer om de kast te verven en geld voor een nieuwe bus had ik niet, geld voor de kapper ook niet en mijn kleren waren ook nog eens naar de maan.
Alles was witte hoogglans.
Behalve de kast.

Ineens schoot me een krantenartikel te binnen van een tijdje terug, waarin stond dat vijfenvijftigplussers vaak vallen. Hier werd ik niet blijer van. De val van de trap van drie maanden geleden kwam ook weer boven. Mijn gescheurde bilspier was nog niet eens genezen en nu dit weer!

Ik strompelde naar binnen en keek in de spiegel, waar ik in een onbedaarlijke lachbui schoot. Grote verfflatsen sierden mijn kin, voorhoofd, bril, neus en mijn haar piekte alle kanten uit, dwars tegen de wind in. Knap dat mijn dochter zo lief tegen me had gedaan en niets had gezegd hoe bespottelijk ik eruit zag. Mijn God!
“Je hebt je gel eindelijk gevonden, mam,” grapte mijn dochter toen ze zag dat ik weer kon lachen.

Volgende maand word ik vijfenvijftig. Ik houd mijn hart vast als het waar is, dat je dan nog vaker gaat vallen.
Denk dat ik me maar vast ga inschrijven voor een rollator.

8 May 2006
By on 05:46
Zwart Gat

Vanaf mijn kinderjaren ben ik al geinteresseerd in de geheimen van het heelal. Op het gym hadden we een natuurkundeleraar die bezeten was van astronomie en zo pikten we zijdelings graantjes mee van zijn hobby. We hingen aan zijn lippen als hij erover vertelde. Vooral de zwarte gaten intrigeerden me. Maar ik ben er inmiddels achter wat dat zijn. Ik heb er zelf xe9xe9n ontdekt. In Duitsland, hier vlak over de grens. Begin deze week.

Een vriendin van me is naar een appartementje verhuisd boven een supermarkt. Ik zou haar er voor de eerste keer bezoeken, er geen rekening mee houdend, dat Duitse appartementencomplexen anders in elkaar steken dan Nederlandse. Hier bleken we te maken te hebben met een bunker met geheime ingangen. Drie keer ben ik rond het gebouw gesjouwd en kon geen toegang vinden.
Uiteindelijk vond ik een verscholen klein trapje met een deur. Zowaar zaten er bellen aan het kozijn en ik drukte een willekeurige in, omdat ik de naam van mijn vriendin er niet bij zag staan. Er ging een snerpende zoemer en ik drukte de deur open. Bovenaan een trap stond een jongeman.
‘Ich suche meine Freundin.’
‘Ja, und?’
‘Haben Sie vielleicht gesehen wo voriger Woche jemand neu eingezogen ist?’
‘Nein.’
‘Oke, vielen Dank.’
Achter de man ontwaarde ik een deur, waarachter ik de sterrenhemel zag.
‘Sind da auch noch Wohnungen?’
‘Ja.’
‘Darf ich vielleicht hereinkommen, dankeschxf6n bittesehr, und da oben rundschauen?’
‘Ja, kxf6nnen Sie tun.’

Ik ging de trap op en de bewuste deur door. De man haalde zijn schouders op en gooide de deur van zijn bunker in het slot.
Ik bevond me nu in een soort daktuin met enkele kleine woninkjes. Allemaal zwaar verschanst achter rolluiken, dus ik kon niet zien of er ergens iemand thuis was. Het was er aardedonker en daardoor voelde ik me sehr unangenxe4hm. Op mijn gevoel liep ik naar een willekeurig huisje en belde aan. Meteen raak: mijn vriendin deed open.

Na een gezellige avond besloot ik maar weer eens huiswaarts te gaan. Ik begaf me weer in het duister en zwaaide nog een keer achterom. Aan het eind van de diepzwarte daktuin vond ik min of meer op de tast een deur en ik stapte een hal in, waar zich ergens de uitgang moest bevinden. Het was er nog donkerder dan buiten. Voorzichtig tastte ik de wanden af, of ik ergens een lichtknopje kon vinden. Zonder resultaat.
Intussen waren mijn ogen wat gewend aan het donker en ontwaarde ik vaagjes een spiegelende vloer voor me, die het zwakke licht van straatlantaarns weerkaatste. Althans, dat was mijn interpretatie.
Ik liep kordaat op het zwakke schijnsel dat van buiten kwam af, in de verwachting, dat ik na een meter of tien de voordeur zou bereiken.
Niets was minder waar.

Ineens voelde ik geen grond meer onder mijn voeten en stortte in een diep gat. Ik probeerde te blijven hangen en wapperde heftig met mijn armen, wensend dat ik een vogel was. Het mocht niet baten. Ik holderbolderde een kennelijke trap af. Links en rechts schrammen oplopend aan treden en muren van scherpe steen. Onderaan bleef ik liggen. Een stekende pijn trok door mijn achterwerk richting schouders en benen.
Ik hapte naar adem, omdat mijn hart over de kling leek te gaan. Even dacht ik dat ik blind was, maar ik herinnerde me al snel, dat voor ik viel ook al alles om me heen duisternis was. Langzaamaan kon ik weer een beetje bewegen en of er iets gebroken was, wist ik niet. Ik wilde naar huis. Alles liever dan in een Duits ziekenhuis belanden. Wist ik veel of ik met die nieuwe zorgpolis wel in het buitenland verzekerd was? Oke, ik bevond me maar zes kilometer van huis, maar buitenland is buitenland, hield ik mezelf nuchter voor.

Zorgvuldig raapte ik mezelf bij elkaar en humpelde naar buiten. Nergens ernstige doorzakkingsverschijnselen, dus mijn benen waren niet gebroken.
Hoe ik precies thuis ben gekomen, weet ik niet meer. Ik kwam weer in het rijk der levenden, toen ik in mijn woonkamer hing. Lag. Kroop. Zoiets was het.

Die nacht had ik merries van zwarte gaten, die me vezwolgen en me zodanig platdrukten, dat mijn hele lijf gierde van de pijn. De natuurkundeleraar van het gym vroeg, of ik het nu begrepen had allemaal.
Natuurlijk had ik het begrepen en ik resumeerde:
Zwarte gaten bevinden zich in Duitsland in woonbunkers zonder licht. Ze zijn levensgevaarlijk en schrecklich unangenxe4hm vanwege de uiterst pijnlijke kneuzingen die je eraan overhoudt. Uitzwaaien doen ze daar niet. Je moet jezelf maar zien te redden in het zwarte labyrint van deuren en trappen. Overigens: de mannen zijn er erg nors.

Verdamd noch mal! Ik had mijn nek wel kunnen breken!

12 March 2006
By on 06:42
Pepernoot

Er wordt op de deur geklopt. Voordat iemand iets kan zeggen, stapt er een vrolijke mevrouw over de drempel en giechelt: “Sinterklaas is in de buurt, vindt u het leuk als hij even bij u langs komt?”
“Sinterklaas? Alsjeblieft niet! Rot op zeg! Hoe kom je op het idee!” Bedremmeld draait de mevrouw zich om en de deur slaat achter haar dicht. Mijn man pakt mijn hand en kalmeert me: “Ze bedoelen het goed, rustig nou maar.”
Het is 5 december 1980.

Ik herinner me dat Sinterklaasfeest als de dag van gisteren. Het was vroeg in de middag flink beginnen te sneeuwen en het vroor stevig. Maar zowel de sneeuw als Sinterklaas konden me de bout hachelen. Niets kon me schelen. De wereld was gestopt met draaien. Ikzelf was het middelpunt van het heelal en tolde me een weg door de ruimte. Kwaad was ik. Zo verschrikkelijk kwaad. Ik voelde me genaaid, bedrogen. Had iemand me niet even kunnen vertellen wat Sinterklaas dit jaar voor me in petto had? Hadden ze me niet kunnen waarschuwen dat er voor mij dit jaar geen pretletter van banket of andere zoetigheid aan te pas zou komen, maar enkel bittere marse-pijn?

“Wat zou je willen hebben?” vraagt mijn man, zodra ik even bij zinnen kom. Tranen rollen over mijn wangen.
“Maakt me niet uit, al is het een nest jonge honden! Als het maar ophoudt!” roep ik radeloos. Hij slaakt een diepe zucht en begint door de kamer te ijsberen. Ik heb met hem te doen. Wat moet ie met zo’n vrouw, waarmee geen land te bezeilen valt? Ik haal het onderste uit de kast en probeer aardig tegen hem te zijn.
“Kom je even bij me zitten?” vraag ik poeslief. Verrast kijkt hij op en nestelt zich naast me. Zijn arm om mijn schouder. Ik sla onmiddellijk zijn arm weg.
“Verdomme, alweer!”
Zo worstelen we ons de dag en de vroege avond door. Hij oneindig lief, ik nog oneindiger labiel en afwisselend furieus of in tranen, om me daarna weer te verontschuldigen en aardig proberen te zijn voor hem. Het valt potvederpepernoten niet mee.

“Het is een zoon!” Mijn man legt een bloot frummeltje op mijn buik. Een frummeltje dat knort en piept en me onmiddellijk aankijkt met heldere kraaloogjes. Alle ellende van de afgelopen uren ben ik vergeten. Een zoon! Ik besnuffel en knuffel en huil en lach. “Het is een xe9cht kindje!” Ik kan het niet onmiddellijk geloven.
We worden door iedereen gefeliciteerd met ons Sinterklaascadeautje uit eigen zak.

Ik realiseerde me vanmorgen, dat ik de Sint nog nooit mijn excuses heb aangeboden voor mijn botte weigering van lang geleden. Het zou tijd worden.
Hee ouwe, een beetje laat misschien, maar sorry nog van toen en bedankt voor mijn mooiste Sinterklaascadeau aller tijden! Het is een hele Pepernoot geworden inmiddels, dat kan ik u verzekeren en ik ben er nog net zo blij mee als op die gedenkwaardige Sinterklaasvond nu vijfentwintig jaar geleden.
Proost! Op jullie verjaardag!

3 December 2005
By on 09:49
Grenzen van de mantelzorg

Mijn oude vader is overgebleven. Het was een kwestie van: wie overleeft wie? Beiden wilden ze de ander niet alleen achterlaten en zo knokten ze zich afgelopen jaar door tegenslagen, ziektes, diverse operaties en valpartijen heen en kwamen er telkens weer bovenop met een geestelijke veerkracht die onvoorstelbaar was. Samen 170 jaar oud. Alle hulp van buitenaf werd afgehouden op enkele dingen na, waar ze het echt niet meer konden. Ze wilden de scepter over hun eigen leven niet uit handen geven. Samen, tot de dood hen zou scheiden.

En nu is ze er niet meer. Hij leek de eerste dagen na haar dood achter haar aan te gaan. Hij vermagerde, werd met de dag zwakker en hij wilde niet meer. Hij had hulp nodig, kon niet alleen zijn. Sinds zijn val van de trap vorig jaar Kerst is hij slecht ter been en nu kon hij helemaal niet meer lopen.
Maar waar haal je die hulp zo snel vandaan in een bureaucratisch land als het onze? Hoe regel je dat allemaal als enige mantelzorger met een eigen gezin en nog overmand door verdriet en oververmoeid van de eerste week tot aan de begrafenis, waar je ook alles in je eentje moest regelen? Hoe houd je jezelf in zulke omstandigheden op de been?

“Sorry mevrouw, er zijn wachttijden, u zult het voorlopig zelf moeten oplossen met uw familie.”
“Nee, plaats in een verzorgingshuis is er voorlopig niet, maar hij staat boven aan de wachtlijst.”
Dat laatste was mijn eerste sprankje hoop op betere omstandigheden. We zijn intussen twee maanden verder en van die wachtlijst hebben we nooit meer iets gehoord.

Gelukkig had mijn vader al xe9xe9n keer per dag hulp van de thuiszorg, voor de persoonlijke verzorging. En met die kanjers van meiden viel te praten. Nee, ze hadden geen enkele beslissingsbevoegdheid, maar ze zagen direct, dat de situatie onhoudbaar was. En ze zijn voor ons door het vuur gegaan! Mantelzorg is gebaseerd op de familie om een hulpbehoevende heen, maar als er maar xe9xe9n familielid is die dat kan doen, werkt het systeem niet meer. Ik heb nu eenmaal geen broers en zusters en geen schoonfamilie of partner. Enkel twee studerende kinderen.

En ik heb helaas maar twee handen en kan maar op xe9xe9n plaats tegelijk zijn. Ik heb drie weken bij hem gewoond, geprobeerd hem op de been te houden en van hot naar her gevlogen. En intussen praten, nee, vechten met de instanties. IJzer met handen proberen te breken.
Totdat ik merkte, dat de mensen die de instanties vertegenwoordigen hun uiterste best deden, aangespoord door i.c. onze thuiszorgers. Maar ze staan met de rug tegen de muur. Allerlei regeltjes staan haaks op elkaar en de communicatie tussen de verschillende instanties die eraan te pas komen, zijn krakkemikkig tot godvergeten knudde op veel punten. Vooral omdat de regelgeving uit den Haag een ondoorzichtige, walgelijk stinkende brijberg is geworden.

Intussen zit mijn vader er, na twee maanden knokken, warmpjes bij in zijn eigen huisje. Dankzij die ene persoon, die uitzondering op de regeltjes wist te maken en, zoals ze zelf zei ‘illegaal’ het hulppakket buiten de bureaucratie om heeft uitgebreid en regeltjes met voeten durfde treden, omdat de situatie onhoudbaar was.

We kunnen weer ademhalen en eindelijk aan ons rouwproces werken. We kunnen eindelijk genieten van elkaar en wat leuke dingen doen samen.
Mijn vader, de kinderen en ik.
Hij knapt zienderogen op en wil weer verder. “Ik doe het voor jou en de kinderen,” zei hij van de week. Het verdriet in zijn ogen is nog heftig aanwezig, maar er begint weer wat van zijn oude veerkracht zichtbaar te worden. Hij oefent zich suf en kan zelfs weer een beetje lopen!

Politiek den Haag, dank zij een paar krachtige mensen die jullie regeltjes aan de laars lappen, is mijn vader niet ten onder gegaan.
Als het aan jullie had gelegen, had die man moeten kreperen en was ik afgebrand.
Hartelijk dank voor wat jullie hebben aangericht in de hulpverlening en gezondheidszorg!

Zelf zeker nooit mantelzorger geweest?

29 November 2005
By on 17:49